Skip to content →

Wij-zij-denken? Focus niet op nationaliteit of religie

Voor u gelezen in Klasse december 2017

Hoe verval je op een multiculturele school niet in wij-zij-denken? “Focus niet op nationaliteiten of religies”, zegt Didier Veeckman. “Het gaat over hoe we zo veel mogelijk leerlingen zo veel mogelijk doen leren. Ook dat we anders zijn en toch gelijk. Een goede band met de ouders kan daarbij helpen.”

Didier Veeckman is klasleraar van de derdegraadsklas in de vrije basisschool De Mozaïek, in een van de armste stadswijken van Gent: Sluizeke-Tolhuis. Eind jaren 80 is de laatste Belgische ouder uit de school verdwenen. Sindsdien vonden vooral Turkse en Algerijnse families de school, aangevuld met ex-Joegoslaven, Bulgaren, Albanezen en Afrikanen. Toch komen de kansrijkere ouders stilaan terug naar de kleinere vestigingen van de school.

Een katholieke school met vooral moslimkinderen. Sterker kan een tegenstelling vandaag binnen 4 muren niet zijn? Of toch niet. Geen echte godsdienstles hier en geen kruistekens voor de les.

Geen godsdienstles

“Ik werk graag met het Deugdenproject’”, zegt Didier. “Vandaag hangen 2 deugden uit: ‘verantwoordelijkheid’ en ‘uitmuntendheid’. Daar kan ik met de kinderen van de klas over praten, aftasten, zoeken wat die deugden met hun leven doen of waar het naartoe kan.”

leraar en kinderen in kindcentra

“De ‘Gulden Regel’- poster’ toont hoe een regel uit het christendom, ‘Alles wat jij wil dat de mensen voor jou doen, doe dat ook voor hen’, ook in het boeddhisme, hindoeïsme, islam en nog 9 andere godsdiensten voorkomt. Het toont goed aan: we zijn anders, maar toch gelijk.”

“Wij zijn een dialoogschool. De godsdienstlessen noemen we ‘levensbeschouwelijke groei’ en ja, het is zoeken naar hoe we dat kunnen invullen. Maar het is ook weer niet zó moeilijk. We verbinden ze aan wereldoriëntatie en muzische vorming. Dat biedt veel kansen.”

“In de interreligieuze dialoog praten we over de zin van iets, over deugden en waarden, de grote fasen in het leven, wat ons sterk maakt en wat ons ‘dood’ maakt. Wat geeft je leven richting en wat maakt je soms stuurloos? Door daarover in gesprek te gaan, leren kinderen denken, stilstaan en zichzelf vormen. Het is ook het beste tegengif voor het wij-zij denken: we hebben de ander nodig om zelf tot ontwikkeling te komen.”

“In mijn les vertrekken we vanuit wat gebeurt in gezinnen thuis, in de wereld, in de school: een geboorte, een aanslag, een ongeval, een conflict op de speelplaats, hoe je kan omgaan met een beperking, het aangaan van een engagement … Samen ontbijten bijvoorbeeld. Ik laat de kinderen ingrediënten meebrengen en we maken samen een maaltijd klaar. Ik focus daarbij niet op hoe Turkse, Marokkaanse of Syrische gezinnen ontbijten. Wel op: wat doet het met je om ‘samen’ voor elkaar te koken? En wat is gezond, wat vind je lekker?”

Ouderparticipatie als tegengif

Ouders nauw betrekken is heel efficiënt tegen polarisatie. Wij gaan op huisbezoek. ‘Ik ben je meester, welkom!’ We laten de ouders voelen dat ze meetellen, dat hun kind er mag zijn, en dat het mag worden wie het wil worden en dat we daar samen ons best voor gaan doen. Ouders komen op school ook voortdurend over de vloer. Dat creëert veel vertrouwen en zorgt voor openheid en dialoog.”

“Een voorbeeld: 2 moeders in het ouderlokaal begrijpen elkaar met geen woord, er hangt stilte, misschien ook wat ongemakkelijkheid. Tot de Vlaamse mama haar breiwerk bovenhaalt en de allochtone ouder een gevoel van herkenning ervaart, deelt en ook uitlegt hoe die moeder haar breiwerk kan afmaken zonder dat ze dezelfde taal spreken. Dat moment verandert het ouderlokaal voor beide ouders helemaal.”

“Je kan als leraar in een kramp schieten als je hoort dat iemand niet mee op bosklassen gaat, of boos worden ‘het is altijd hetzelfde’. Maar je kan ook gewoon luisteren en oplossingen zoeken: gaat het over twijfels omtrent halal, over apart slapen, over genoeg toezicht, of gewoon bij mama willen blijven?”

“Je moet ouders niet in de eerste plaats overtuigen van iets, je moet een band maken. De rest volgt dan wel. Dat is wat wij hier op school ‘Verbondenheid vieren’ noemen. Voor alles is een oplossing.”

“Neem nu een kind dat niet wil of mag zwemmen omdat een badpak ‘te bloot’ is. Je kan dat belachelijk en overdreven vinden, maar je kan ook met de ouders praten. Dat gewoon al kunnen vertellen, voelt als een erkenning voor hen. Tegelijk vragen wij ook erkenning voor onze zaak: het is onze opdracht dat jouw kind kan zwemmen. We hebben toen aan het zwembad gevraagd of een meer gesloten badpak een probleem was? Dat was niet zo. Na enkele zwembeurten had het kind een gewoon zwempak aan. Misschien lukt dat in een ander gezin niet, maar het uitgangspunt is toch: je kan niet in dialoog gaan met mensen die zichzelf niet mogen zijn.”