Protestants-evangelisch godsdienstonderwijs

[abstract bij de presentatie van het PEGO op de Didachè studiedag, januari 2017, KU Leuven]

Principieel pluraal, een protestantse eigenaardigheid

Het Protestants-Evangelische godsdienstonderwijs wordt georganiseerd door een officiële erkende instantie (Comité PEGO), maar deze instantie valt niet samen met een kerk. Ze is zelf al pluraal samengesteld. Dit heeft te maken met een typisch kenmerk van de protestantse wereld, namelijk dat er geen hiërarchisch instituut is en (dus) ook geen centraal aangestuurde geloofsvisie. Er is enkel een boek, de Bijbel. En daar moeten we het mee doen. De basis van het PEGO is dan ook diezelfde Bijbel, een boek dat uit 66 verschillende boeken bestaat, waarvan ook nog eens het grootste deel samenvalt met de Joodse bijbel (die wij – kwetsend – het Oude Testament noemen). Boeken moeten gelezen worden, anders zeggen ze niets. Lezen is altijd ook interpreteren. Zodoende is de Protestantse beweging wezenlijk een exegetisch en hermeneutisch gezelschap. Ten goede: altijd op zoek naar wat dat toch wil zeggen wat daar staat; ten negatieve: altijd ruzie over… Wezenlijk is en blijft echter de referentie naar de Bijbel. Een levensbeschouwing die zo’n complex geheel als deze 66 boeken, inclusief het heilige boek van een andere traditie, als basis neemt, kan niet anders dan intern pluraal zijn. Als ze zich als ‘geheel’ moet organiseren, zoals voor het godsdienstonderwijs het geval is, dan zal ze die interne pluraliteit al van meet af aan honoreren.

Leerplan

De facto presenteert het leerplan PEGO dan ook vooral de Bijbel zelf, zo zoals ze gelezen werd en wordt binnen een brede waaier van de protestants-evangelische geloofsgemeenschappen. Enkel de al-te-extremen (maar ja wie bepaalt dat?) worden geweerd. De Bijbel is binnen het PEGO dus niet enkel een leermiddel, bruikbaar om bepaalde doelen te bereiken bij de leerlingen. De kennis van de Bijbel is ook zelf een leerdoel, d.w.z. het boek kennen en kunnen interpreteren. Hierbij wordt als doelstelling gehanteerd dat de leerling niet alleen zijn eigen visie aan de bijbel moet kunnen verbinden, maar ook moet verstaan (zeker in het SO) dat anderen het ook anders kunnen verstaan zonder daarmee on-bijbels te zijn. Een hele opgave, dat wel. Vooral voor sommige leraren. Het is echter een absoluut sine qua non, want een leerkracht die enkel die enkel z’n eigen strekking vertegenwoordigt kan nooit vensters openen.

Pedagogisch-didactische visie

In de afgelopen 15 jaren heeft de visie op de godsdienstles een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Oorspronkelijk was het quasi catechetisch, en leunde het dicht aan bij het gewone kerkelijk onderwijs. PEGO als een beetje ‘thuis’, een verlengstuk van de eigen ‘kerk’. De leerkrachten gedroegen zich vaak als ‘teachers into religion’. Dit zorgde geregeld voor spanningen: een streng-gereformeerde leerling bij een pentecostal leerkracht of een liberale protestant en vice versa etc. De laatste jaren is zowel het leerplan – al doende – bijgestuurd als ook het leraarsprofiel bijgesteld. Veel nadrukkelijker wordt het ‘schoolse’ karakter van de lessen naar voren gehaald. Ook is de relatie leerkracht-leerling objectiever geworden. Teaching about en learning from de hele brede waaier van wat er in de protestants-evangelische traditie (en meer en meer ook : daarbuiten) aan levensbeschouwelijke kennis en vaardigheden beschikbaar is. Enkel in het LO is teaching into ook nog aan de rand aanwezig, vaak afhankelijk van de samenstelling van de klas. Ook in de leerplannen is deze shift merkbaar. In oudere delen is dit alles nog diffuus, in de recentere delen is het pedagogisch en didactisch kader veel consistenter. De aandacht bij alle onderwerpen voor de Bijbelse relatering is bij dit alles de blijver.In deze lijn past ook een min of meer vanzelfsprekend engagement binnen de interlevensbeschouwelijke competenties. Deze zijn immers ook gebaseerd op teaching about en learning from. Didactisch kenmerkt het PEGO-leerplan zich door een sterke nadruk op het leren door exploreren. Er is een predominantie van tekst (de bijbel). Om dit niet te laten ontaarden in verbaliteit en cognitiviteit, wordt in het leerplan nadrukkelijk de aansluiting met de leefwereld tot doel gesteld. In de nieuwste leerplannen wordt voor het Beroepsonderwijs gewerkt met een PDK (een pedagogisch-didactisch kader) gebaseerd op de levensvragen van de doelgroep. Deze worden gekoppeld aan een brede waaier een thema’s, waarmee die vragen kunnen worden geëxploreerd.

Opleiding

Kwaliteitsbewaking is een groot aandachtspunt en een zorg tegelijk. Zoals al gezegd: het leerplan is constant in ontwikkeling, maar de kleinheid van onze levensbeschouwing speelt ons hier parten. Wij hebben geen studiecentra en opleidingsinstituten. Er is geen enkele vrijgestelde om wat dan ook maar te doen buiten lesgeven of inspecteren. Op academisch niveau zijn er twee faculteiten maar daarvan is er slechts één gerechtigd een lerarenopleiding aan te bieden, een wel heel lang traject voor een jeugdige enthousiasteling. Met name de financiële en administratieve last die het runnen van hogeschool of universiteit vergt (op maat van de grote universiteiten) maakt het ons bijna onmogelijk hier iets uit te bouwen. De facto betekent dat dat wij terug moeten vallen op de ‘kerkelijke opleidingen’ (met vrijwillige lectoren, predikanten, leerkrachten). Hiervan zijn er twee in Vlaanderen, beide enkel voor het Lager onderwijs. Dat betekent dat wij geen enkele hogeschool-opleiding hebben waar een prof. Bachelor PEGO kan worden verkregen, behalve sinds dit schooljaar aan Thomas More, waar nauw samengewerkt wordt qua vakinhoud en vakdidactiek met rooms-katholieke godsdienst. Dit is financieel en organisatorisch onvermijdelijk. En tevens volgens de protestantse stroming zelfs wenselijk: Oecumene vertaalt zich ook in theologie. Pluraliteit kan zo door beiderlei studenten in de praktijk alvast worden geoefend. Door de sterk groeiende vraag naar leerkrachten, moeten wij het echter vooral hebben van zij-instromers, die via de genoemde eigen opleidingen worden bijgeschoold, zo goed en zo kwaad als dat gaat

Interlevenbeschouwelijk: naast elkaar of samen?

Voor de toekomst zien wij intern vooral de uitdaging van ‘andere culturen in de klas’ en hoe we de leerkrachten nog aangesleept (en gevormd) krijgen. Extern is de grote uitdaging dezelfde als deze van de samenleving zelf. Dat is: hoe krijg je de inter-levensbeschouwelijke dialoog op gang. Deze bestaat namelijk nog niet. Professionals dialogeren wel eens met elkaar – vooral voor een gezelschap welwillende toehoorders, preaching to the converted en voor de pers. Dat ziet er fijn uit en men is lief voor elkaar, maar de harde kwesties worden gemeden. Leerlingen daarentegen dialogeren niet, maar bieden tegen elkaar op. Er vinden tegenwoordig weer godsdiensttwisten plaats op de speelplaats. Kinderlijk opbiedend (‘Mijn God is beter dan de jouwe, want…’) of vechtend om de waarheid (‘Mohammed is een valse profeet, dat hij komen zou is al voorspeld …’; ‘Jezus is niet opgestaan, dat is een leugen, dat staat in de …’;  ‘Dat is toch allemaal lariekoek en apekool. Geloof je dat nog’, waarop prompt een nieuwe frontvorming plaatsvindt van alle religieus gelieerden tegen de ongelovigen…etc) Deze levensbeschouwelijke wedstrijden zijn niet perse gebaseerd op een slechte kennis van eigen en andermans levensbeschouwing. Het probleem is dat ze vaak juist wel degelijk een corrrecte weergave zijn van het ‘binnenperspectief’ van de betreffende levensbeschouwing.  Hier is nog veel werk aan de winkel, dat niet door de levensbeschouwelijke (zendende) instanties alleen gedaan kan worden. Hun voordeel is in dit geval hun nadeel: ze zitten vast aan hun binnenperspectief. Ze kunnen dus niet verder komen dan vriendelijke juxtapositie, beter dan niets, maar niet genoeg om samen te leven, vrees ik. Het is daarom hoog tijd dat voor de ILC’s een eigen levensbeschouwelijke pedagogiek wordt ontwikkeld waarbij de levensbeschouwelijke verschillen niet uit de weg worden gegaan (= het probleem van veel lieve samenwerkingsprojecten), maar vanuit de godsdienstwetenschap worden gekaderd, zodat ze bespreekbaar worden. Zonder enige vorm van een hermeneutisch meta-perspectief zal het niet gaan. Enfin, dat is mijn mening. Vraag het een andere protestant en hij zal het niet zomaar met mij eens zijn, wat overigens een bewijs is dat hij of zij wel eens een echte protestant zou kunnen zijn.

Dick Wursten (9-12-2016)

De lezing zelf verliep weer anders, maar licht een aantal van deze punten toe met voorbeelden uit de praktijk.