Grondwet, artikel 24 (onderwijs)

2019: Open VLD vraagt om in de volgende legislatuur ook artikel 24 § 1 en 24 § 3 open te verklaren voor herziening. In beide artikelen komt het aanbod van levensbeschouwelijk onderwijs aan bod. De motivatie van Open VLD kunt u lezen in het bijgevoegde PDF document (afkomstige van www.dekamer.be). het werd toegevoegd aan de lijst met 96 stemmen voor (waaronder naast Open VLD, ook NV-A) en 39 stemmen tegen (aan Vlaamse kant: CD&V, VB, Groen).

Waarover gaat het precies?

Artikel 24 § 3 bevat een algemene formulering van het recht op morele of religieuze opvoeding ten laste van de gemeenschap.

Art. 24 § 3. Ieder heeft recht op onderwijs, met eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden. De toegang tot het onderwijs is kosteloos tot het einde van de leerplicht. Alle leerlingen die leerplichtig zijn, hebben ten laste van de gemeenschap recht op een morele of religieuze opvoeding.

In paragraaf 1 van artikel 24 is in 1988 een zin toegevoegd om aan te geven welke vakken dat dan eigenlijk zijn die ’ten laste van de gemeenschap’ mogen worden ingericht. Dat was namelijk nogal ad hoc geregeld in het Schoolpact in 1959. Men verwijst naar ‘de erkende godsdiensten’. Men bedoelt daarmee de ‘erkende erediensten‘ (ja, slordig werk hoor dit grondwetsartikel: erediensten/cultes is de correcte juridische term). Zo is het levensbeschouwelijk onderwijs gekoppeld aan het eveneens niet onomstreden systeem van de ‘erkenning van erediensten’ (met mogelijkheden tot subsidiëring van bedienaars, etc. Zie artikelen 19, 20, 21§1 , 181 §1-2 )

Art. 24 § 1. Het onderwijs is vrij; elke preventieve maatregel is verboden; de bestraffing van de misdrijven wordt alleen door de wet of het decreet geregeld.
– De gemeenschap waarborgt de keuzevrijheid van de ouders.
– De gemeenschap richt neutraal onderwijs in. De neutraliteit houdt onder meer in, de eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen.
De scholen ingericht door openbare besturen bieden, tot het einde van de leerplicht, de keuze aan tussen onderricht in een der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer.